Kort verhaal van de verschijningen
Pelgrims die vertrouwd zijn met heiligdommen waar de Maagd Maria is verschenen, verwachten altijd grandioze locaties aan te treffen: de prachtige landschappen van Fatima, de rivier Gave in Lourdes, de bergen in La Salette, de bossen in Banneux...
Het lijkt alsof er in deze heiligdommen altijd veel ruimte en een open en vrij landschap is!
Het heiligdom van Beauraing ligt op een klein stuk grond in het zuiden van België: geen open landschap, geen grote ruimtes, geen grandioos landschap. Het is relatief kleine tuin, zonder bloemen in deze winterweken: er staan een paar bomen, een miezerige hulst en een wilde meidoorn. Niets anders dan dit stukje tuin, ingeklemd tussen de weg en de spoorlijn. In het lokale dialect, het Waals, zegt men over het dorp: “Biarin, c'est bia, mais c'est rin!” In het Nederlands: Beauraing is mooi, maar het stelt niets voor! Een onbekend dorp met ongeveer 1500 inwoners, van wie de meesten het dorp nog nooit hebben verlaten. Op een dag wordt Gilberte Degeimbre, de jongste van de zienerkinderen, gevraagd: “Had de Maagd een accent?”. En het meisje antwoordt: “Ik denk dat ze het accent van Beauraing had, want ik heb niet gehoord dat ze een accent had”.
In 1932 is Beauraing een rustig dorp in een dunbevolkte streek in Belgisch Wallonië, op enkele kilometers van de Franse grens. 1932 is veertien jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, met zijn miljoenen doden; het is ook drie jaar na de financiële crash van de Amerikaanse beurs en de economische crisis die Europa hard treft. Een paar honderd kilometer verderop komt in Duitsland de nazipartij van Adolf Hitler aan de macht, met alle rampzalige gevolgen van dien... In dat jaar, in een onopvallend dorp, verschijnt de Maagd Maria drieëndertig keer, van 29 november 1932 tot 3 januari 1933, aan vijf jonge kinderen. Het gaat om twee broers en zussen uit eenvoudige gezinnen: de familie Voisin, met Fernande (15 jaar), Gilberte (13 jaar) en Albert (11 jaar),
en de familie Degeimbre, met Andrée (14 jaar) en Gilberte (9 jaar). Deze twee zijn onlangs met hun moeder en een oudere zus naar Beauraing verhuisd, waar ze na het recente overlijden van hun vader een boerderij op kleinere schaal blijven verderzetten. De vijf kinderen zijn snel vrienden geworden, ze spelen zo vaak mogelijk samen, halen grappen uit met de dorpsbewoners – ze vinden het leuk om aan te bellen bij huizen en meteen weg te rennen – en halen Gilberte Voisin 's avonds op van de studie bij de Zusters van de Christelijke Leer van Nancy.
Zo ook op 29 november rond 18 uur, wanneer Albert bij de zusters aanbelt. Als hij zich omdraait naar de anderen roept hij verrast uit : “Kijk, de Maagd wandelt boven de brug”. Hij ziet haar enkele meters boven de spoorbrug die over de weg naar Rochefort loopt: op ongeveer vijftig meter afstand van hen. Zijn zus en haar vriendinnen, die het eerst niet wilden geloven, zien op hun beurt ook deze mooie dame. Zuster Valéria komt de deur opendoen. De kinderen wijzen haar op de aanwezigheid van de Maagd. De non gelooft niet in die “flauwekul” en gaat Gilberte Voisin halen uit de studiezaal. Wanneer ze bij de voordeur komt, ziet ook zij de Heilige Maagd in de lucht boven de brug wandelen. De kinderen zijn bang en rennen naar huis, maar beloven elkaar dat ze de volgende dag op hetzelfde uur zullen terugkomen.
Op 30 november verschijnt de Heilige Maagd opnieuw boven de brug. Op 1 december verschijnt ze nogmaals, maar dan bij een hulststruik in de tuin. Ze verdwijnt weer en verschijnt vervolgens onder een tak van een meidoorn, vlakbij het hek bij de ingang van de tuin. Daar zal Maria zich nog ongeveer dertig keer laten zien.
Die avond worden de kinderen, die nu minder bang zijn, vergezeld door hun ouders, die proberen dit mysterie of deze onzin, zoals moeder Degeimbre het noemt, uit te klaren. Ze is die avond trouwens met enkele kennissen gekomen, gewapend met een stevige stok: we zullen wel eens zien wie de slimmerik is die de kinderen bang maakt. En terwijl de verschijning plaatsvindt, zoekt ze met haar stok in de struiken, en haar dochter Andrée roept: “Pas op, mama, je staat erop!” Want de verschijningen zijn inderdaad voorbehouden aan de kinderen alleen: niemand anders ziet iets. Elke keer zien de ouders hun kinderen met een doffe smak op de grond vallen, je knieschijven zouden ervan breken. Alle vijf kijken ze in dezelfde richting: naar de meidoorn. Bezorgd gaan de volwassenen naar de pastoor van het dorp, die er niet echt in gelooft, maar hen geruststelt door uit te leggen dat, als het waar is, het een goede zaak is, maar hen wel waarschuwt dat ze discreet moeten blijven. Voor de overste, moeder Théophile, moet er een einde komen aan deze “komedie”; ze heeft haar besluit genomen: de hekken worden gesloten en de twee honden worden losgelaten in de tuin.
Op 2 december komen de kinderen terug, zoals elke avond: ze kunnen de tuin niet meer in en blijven op de stoep staan, op straat; maar de Maagd verschijnt toch aan hen, vanaf de andere kant van het hek kijkt ze hen aan. Op het moment dat ze verschijnt, stoppen de woeste honden onmiddellijk met blaffen en gaan ze op de grond liggen, zonder te bewegen. De kleine Gilberte zegt het duidelijk: “Zij zijn de eersten die ons geloofd hebben!” Die avond vraagt Albert aan de Maagd of zij de Onbevlekte Ontvangenis is; zij knikt bevestigend. Dan vraagt hij namens alle kinderen: “Wat wilt u?” Maria spreekt voor het eerst: “Dat jullie braaf zijn.” Bij een tweede verschijning die avond vraagt ze alleen aan Albert: “Is het waar dat jullie altijd braaf zullen zijn?”
Maria draagt een lange witte jurk met een lichtblauwe glans. Haar hoofd is bedekt met een lange witte sluier die over haar schouders valt. Uit haar hoofd komen fijne lichtstralen die een soort kroon vormen. Ze houdt meestal haar handen gevouwen. Ze glimlacht. Ze draagt een rozenkrans om haar rechterarm. Vanaf 29 december zullen de kinderen tussen haar open armen (als teken van afscheid) haar hart zien, dat helemaal verlicht is, als een hart van goud. Vandaar de naam die iedereen zal onthouden: Onze-Lieve-Vrouw met het Gouden Hart.
De verschijningen gaan elke dag door. Telkens weerklinkt een kreet van bewondering uit de monden van de vijf kinderen wanneer de Maagd Maria verschijnt. Alle aanwezige getuigen zullen hier een ontroerende herinnering aan overhouden: ze konden de kinderen niet zien, omdat ze door een dichte menigte van hen waren gescheiden, maar plotsklaps beseften ze dat de Maagd Maria aanwezig was, door de stem van de kinderen die plots totaal veranderde, en kristalhelder, stralend, hemels en vervuld van de goddelijke aanwezigheid was geworden.
Op 8 december zijn de kinderen iets meer dan een kwartier lang in extase: “Ze was mooier dan ooit”, vertellen ze achteraf. Ze kijken reikhalzend uit naar elk van haar verschijningen. Ondertussen hebben de zusters hun verbod om 's avonds in de tuin te komen opgeheven, ook al voelen ze zich daar ongemakkelijk bij. De dorpsbewoners komen elke avond in groten getale naar de tuin. De notaris is de eerste notabele die de kinderen ondervraagt. Voor hen beginnen de moeilijkheden! Mevrouw Degeimbre heeft haar dochter Gilberte zelfs “Sinterklaas”, het beroemde kinderfeest, ontzegd. Voor het eerst spreekt de deken over de zaak met de bisschop van Namen, die tot voorzichtigheid aanmaant en de geestelijken verbiedt om de verschijningen bij te wonen. Artsen en journalisten nemen de ondervragingen van de notaris over met de bedoeling de “leugens” van de kinderen te ontmaskeren. De menigte blijft ondertussen groeien: op 8 december staan al 10.000 mensen rond de kinderen, terwijl de artsen tijdens de verschijning testen uitvoeren door hard in hun kuiten te knijpen, een mes in de huid van Andrée te steken en de handen van Gilberte met een lucifer te verbranden. Zonder enige reactie, de kinderen blijven ongevoelig en houden achteraf geen sporen over van deze pijnlijke testen.
Op 17 december vraagt de Maagd om “een kapel”. Op 21 december, op de vraag “Zeg ons wie u bent”, noemt ze zichzelf: “Ik ben de Onbevlekte Maagd.” Op 23 december, terwijl er de hele dag een enorme menigte bijeen is gekomen, vragen de kinderen: “Waarom komt u hier?” Zij antwoordt: “Opdat men hier op bedevaart zou komen!” Op 29 december kondigt Maria aan dat zij binnenkort zal ophouden met verschijnen. En vanaf 30 december brengt Maria de kern van haar boodschap over.
Zo vraagt ze op 30 december: “Bid, bid veel.” Op 1 januari: “Bid altijd.” Op 2 januari zijn meer dan 12.000 mensen bijeen en Maria kondigt de kinderen aan dat ze de volgende dag aan elk van hen iets individueel zal zeggen. Op 3 januari staan 30.000 mensen voor het pensionaat. Maria geeft aan de drie jongsten een persoonlijke boodschap die ze nooit zullen onthullen. Tot één van de kinderen zegt ze: “Ik zal de zondaars bekeren.” Aan een ander kind verklaart ze: “Ik ben de Moeder van God, de Koningin van de Hemel. Bidt altijd. Vaarwel.” Ten slotte vraagt ze, als hoogtepunt van de dialoog met de kinderen: “Hou je van mijn Zoon? Hou je van mij? Offer je dan op voor mij. Vaarwel.”
Na drieëndertig verschijningen, na vele onderzoeken door theologen en artsen, geeft Mgr. Thomas-Louis Heylen, bisschop van Namen, toestemming voor de verering. Op 16 mei 1943 verkrijgt zijn opvolger, Mgr. André-Marie Charue, van Rome een decreet dat de verering van Onze-Lieve-Vrouw van Beauraing toestaat. Twee genezingen worden als mirakel erkend en de authenticiteit van de verschijningen wordt op 2 juli 1949 door Mgr. Charue afgekondigd. De vijf kinderen zijn getrouwd, in de regio Beauraing of verder weg. Ze hebben allen hun hele leven lang goed onthouden wat ze die winter hebben gezien en zijn er trouw aan gebleven. Ze zijn inmiddels overleden.
Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Beauraing werd kort na de verschijningen gemaakt door een lokale kunstenaar, Aurélien Pierroux. Na vele pogingen waren de kinderen uiteindelijk tevreden over het resultaat, ook al is het slechts een povere weergave van de onuitsprekelijke schoonheid van de Koningin van de Hemelen. Het gouden hart vormde een van de vele moeilijkheden waarmee de kunstenaar te maken kreeg: hoe kon hij de goddelijke schoonheid van dit bijzondere hart voor onze menselijke ogen weergeven? De kinderen hadden het beschreven als “zo groot als een sinaasappel”, maar vooral als volledig stralend van licht! Er werd gekozen voor een traditioneel hart, met een bekende vorm en volledig verguld. Maar om de prachtige uitstraling weer te geven, werden er acht stralen toegevoegd, die vanaf de basis naar buiten toe vernauwen. Acht, het getal van overvloed, zoals de achtste dag, die van de verrijzenis, of zoals de acht zaligsprekingen in het evangelie van Matteüs, overvloedig ten opzichte van de zeven klaagzangen van de Heer Jezus over de gedachten van de Farizeeërs. Acht, om de kracht uit te drukken, zowel stralend als zacht, van de goddelijke genade door de voorspraak van de Maagd Maria.
Het is ongetwijfeld het meest schitterende en mooiste teken van Beauraing. De kinderen zeiden het al: ze had een hart van goud. Als we zeggen dat iemand een hart van goud heeft – we zeggen dat van onze moeders en vaders – bedoelen we dat hij of zij overloopt van liefde en licht. Maar de schooltuin waar de Maagd verscheen, is die van een school die gewijd is aan het Heilig Hart! De naam van het Instituut Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig Hart geeft aan dat het hart van Maria verenigd is met het hart van Jezus zelf, een wondere weergave van het hart van de Vader, want: “Mijn Vader en ik zijn één”, zegt Jezus (Joh. 10,13). Dit hart dat we op de borst van Maria bewonderen, is ook het onze, want het is het hart van een vrouw, van een mens die God heeft laten branden van zijn Liefde.
Te midden van de meidoorn, de plaats van de verschijningen, is er als het ware een brandend vuur! Het is de brandende braamstruik waar Mozes de aanwezigheid van God ontdekt en de opdracht krijgt om zelf een verterend vuur te verspreiden onder zijn volk. Of nog, het is dat verterende vuur dat de twee leerlingen op weg naar Emmaüs ervaren in het evangelie van Lucas, terwijl ze tegen elkaar zeggen: “Brandde ons hart niet in ons toen hij onderweg met ons sprak?” (Lc 24,32), terwijl hij het brood brak in de herberg van Emmaüs en zich offerde in de eucharistie?
“Hou je van mijn Zoon?” – “Ja”: je moet een kind zijn om zo te durven antwoorden! “Hou je van mij?” – “Ja” – “Offer je dan op... (korte stilte, aldus Fernande) voor mij.” Hier bereiken we het hoogtepunt van de dialoog: een zachte maar krachtige uitnodiging om terug te keren naar de liefde. En we ontdekken dat het om één en dezelfde liefde gaat, die van de Zoon en die van de Moeder. Een doorleefde, levende, stralende liefde, die uitnodigt tot opoffering. Dit laatste woord behoudt zijn waarde, omdat het ook verwijst naar de Eucharistie. Zich opofferen is zich geven uit liefde, zoals een moeder dat doet voor haar kind, zoals Jezus dat heeft gedaan voor ieder van ons.
De Maagd Maria herhaalt in haar laatste woorden de krachtige aansporing van de apostel Paulus aan de christenen van Rome: "Ik spoor u dan ook aan, broeders, door de barmhartigheid van God, om uzelf als een levend offer aan God te wijden (...). Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan ben je in staat om uit te maken wat God van u wil, wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt" (Rom. 12:1-2).
Zien we in Maria niet de glimlach van een God die van ons houdt?
Kannunik Joël Rochette
Mei 2023
